Contacteer ons: 058 53 38 33

IWVA

> Bezoekers > Natuurgebieden > De Doornpanne > geschiedenis van de doornpanne

Geschiedenis van De Doornpanne

De Doornpanne maakt samen met de Schipgatduinen deel uit van een groter duinmassief van 240 hectare groot. Sinds 1947 is is het deel van De Doornpanne volledig in eigendom van de I.W.V.A. en dient het als waterwingebied waar het opgepompte grondwater gebruikt wordt voor de productie van drinkwater.

Wie dacht dat dit het begin inluidde van menselijk ingrijpen in het natuurgebied, heeft het mis. Ook voor 1947 kende het gebied al heel wat verschillende bestemmingen.

Met dank aan Caroline Beele (uit Mooiste golfbaan van Europa in Koksijde) en Johan Depotter (uit Onze IJslandvaarders).

 

Duinheren en duinboertjes

In 1809, toen behoorden we nog tot de Zuidelijke Nederlanden, werden de duingronden geprivatiseerd en kochten de zogenaamde Duinheren de gronden om er hun jachtgebied van te maken. Ze betaalden gemiddeld 8 à 10 fr per hectare duingrond (het arbeidersloon in die tijd bedroeg ongeveer 0,40 fr). Die duinheren waren de families Bortier- Ollevier- Bauwens-Vanderdonck- Roels- Crombez.

Laten kochten een aantal rijke burgers er het jachtrecht en werd gebruik gemaakt van ingehuurde jachtbewakers. Die laatsten stonden in voor het verpachten van duinakkering en duiden aan waar de vissershuisjes mochten komen.

Deze ‘duneboertjes’ die aan de duinranden woonden, betaalden halverwege de negentiende eeuw 75 fr per hectare een veelvoud van de aankoopprijs van de Duinheren. Om een jaarpacht van méér dan 100 fr af te lossen, was de duinboer uit onze Westhoek jaren naéén genoodzaakt de IJslandvaart vanuit Duinkerken (Frankrijk) te beoefenen. De met de duinheren bevriende Duinkerkse reders gebruikten hun zeilschepen van maart tot september om kabeljauw te vangen en die vis aan boord in te zouten. Men vond geen Franse matrozen genoeg voor deze gevaarlijke onderneming en dus zochten die reders Vlaamse duinbewoners om mee naar IJsland te varen.Voor de afreis naar IJsland kreeg de matroos van de reder een voorschot uitbetaald en dit bedrag was meestal voldoende om de jaarpacht aan de duinheer te betalen.

De overige gezinsleden moesten tijdens vaders afwezigheid al het werk op de kleine hoeve uitoefenen. De boeren nivelleerden de grond tot bruikbare akkers en weilanden en kweekten er gerst, rogge en aardappelen. Wie dieren wilde plaatsen, moest weiderecht betalen. Per 'hoornbeest' betaalde men 15 fr per jaar. Het meest noordelijke weiland werd de "Vuile Panne" genoemd vanwege de vele giftige witte honingklaver en kruiskruid die er stond. Wanneer het hooimaand werd (juli), moesten de kinderen dit hooiland eerst "schoonmaken" zodat giftige planten niet terecht kwamen in de hooimijt. De "Vuile Panne" komt overeen met de huidige ponybegrazing.

De akkers werden afgeschermd met wilgen, elzen en seringen en omwald ter bescherming. Na de roggeoogst werden de gronden bemest met "zeevette" die bestond uit visafval en beer. Er werd ook sprot ingekuild. Die meststof werd dan in het voorjaar tussen het aardappelplantgoed ingespit.

Omdat de opbrengst van de akkers niet voldoende was om te voorzien in het levensonderhoud van de boeren, hadden de boeren niet veel meer keuze dan verder te gaan op de IJslandvaart: een lange, barre tocht van maart/april tot begin september die niet zonder gevaar was. Tussen 1820 en 1908 keerden er op 1.000 Vlamingen 129 niet meer terug.

Ook de IJslandvaardersvrouwen staken hun handen uit de mouwen en gingen garnalen kruien in onze Noordzee. Zij worden nu nog geëerd en 'de Stienestekers' genoemd.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw begon de IJslandvaart op zijn einde te lopen en kruiden de duinenboertjes met muilezels. Die dieren werden na de Eerste Wereldoorlog door de Engelse soldaten achtergelaten en door onze duinboeren voor een appel en ei aangekocht.

Via de oude Vissersstraat liepen de paardenvissers met hun muilezels naar het strand. Hoewel niet meer toegankelijk, ligt het oude pad verscholen tussen het struweel in de ezelbegrazing.

< >

Het Zouavenkamp Bador

In oktober 1914 sloegen de 'Chasseurs d'Afrique', ofwel Marokkaanse cavaleristen (Spahi's), hun tentenkamp op in De Doornpanne. Ze moesten de kou en veel sneeuw trotseren en waren genoodzaakt om hun paarden warm te houden met dekens.

Twee jaar later, in februari 1916 was het Frans barakkenkamp in De Doornpanne klaar voor de Zouaven. Dit was een Frans koloniaal leger (opgericht in 1830) afkomstig uit Algerije en Tunesië. Ze waren gemakkelijk te herkennen aan hun klederdracht: een rode ballonbroek, blauwe jas en de rode muts met kwast (chéchia).

In totaal verbleef het Zouavenleger 14 maanden in Koksijde om mee te vechten voor de vrijheid van het Belgische volk.

Naast een monument wordt er in Koksijde op Pinkstermaandag jaarlijks hulde gebracht aan de Zouaven.

< >

Eerste watervoorziening

Voor de aanleg van de eerste waterleidingen konden de mensen uit de regio drinkbaar water halen uit één van de gemetselde waterputten. Eén van die waterputten is gelegen in De Doornpanne.

Het Belgische leger, specifiek de afdeling "Direction technique du service des eaux de l'armée belge", beschikte in die tijd over een kaart met daarop de locaties van alle waterputten.

Steenbakkerij Silico-calcaire

Tussen 1920 en 1959 werd er in de Galloperduinen zand gewonnen voor de productie van kalkzandsteen. Voornamelijk voor export naar Engeland. Om deze steen te fabriceren was toen enkel zand en calciumhydroxide nodig.

De namen Silicowijk en Silicostraat herinneren hier nog aan.

Golf Saint-André sur mer

In 1922 richtte een groep Engelsen, die in het Zoute verbleef, een naamloze vennootschap op met zetel te Knokke.
Onder het impuls van de Britse golfarchitect Harry Shapland Colt (°1869-+1951) kocht de pas opgerichte Naamloze Vennootschap ‘Saint-André’ een duinengebied van ongeveer 100 ha tussen Koksijde en Oostduinkerke. ‘Saint-André’ kocht de grond van ‘La Socièté civile des Dunes’ met zetel te Brugge. Voorwaarde was de aanleg, het uitbaten en het onderhouden van een golfterrein. Ter compensatie kreeg ‘Saint-André’ optie op de omliggende terreinen.

Harry Colt maakte van het duinengebied in de Doornpanne één van de mooiste en meest gerenommeerde linksbanen (golfterrein aan zee ligt met de wind als dominante factor) van Europa. ‘Saint-André’ werd niet alleen een toprealisatie omwille van de uitzonderlijke kwaliteit van de golfbaan, maar vooral de prachtige omgeving zorgde voor een grote belangstelling onder de golffanaten.

Ondanks dit alles slaagde de Engelse vennootschap er niet in het project rendabel te houden. Na een paar jaar al zagen ze zich genoodzaakt het terrein te verkopen aan een groep West-Vlaamse industriëlen met als afgevaardigde bestuurder de heer Arthur Jonckheere en verder de heren Deveylder uit Oostende en De Busscher uit Roeselare.

Ook deze nieuwe groep moest vaststellen dat het onderhoud van het golfterrein handenvol geld kostte en ging na enkele jaren in vereffening.

< >

De Hoge Blekker molen

In 1931 werd door het gemeentebestuur van Koksijde een goedkeuring verleend voor de bouw van een nieuw restaurant/tearoom. Het complex bestond uit drie verdiepingen met daarbij een tearoom, een speelzaal en een restaurant. Bovenop stond een molen die enkel als showelement diende.

Aan het fornuis in het restaurant stond Aimé Taets, een in die tijd gerenomeerde kok. 

Omdat een afdeling van het Belgisch leger zich in de molen verschanste, werd in 1940 de molen bestookt door Duits kanonvuur waardoor het zware schade opliep. Later, in 1942 werd het volledig vernietigd bij een Engels bombardement.

In de buurt van de molen werd tijdens de Tweede wereldoorlog een Duitse bunker gebouwd. Deze bunker werd gekenmerkt door een stalen koepel bovenop waardoor deze bunker in de volksmond de naam "De koepel" kreeg. Na de oorlog werd de koepel verwijderd en de bunker volgestort met zand.

De foto van de bunker komt uit de privé-collectie van dhr. Claude Meersseman

< >

De verkaveling

De gronden van het golfterrein werden opnieuw te koop aangeboden. De aankoopclausule waarin vermeld stond dat de gronden enkel voorbehouden waren voor de golfbaan werd geschrapt. Op deze manier konden de vorige eigenaars, met opnieuw als afgevaardigde bestuurder Arthur Jonckheere, de gronden terug kopen. Het was de bedoeling de gronden te verkavelen, er wegen aan te leggen en er een prestigieuze villawijk uit te bouwen.

Tegen dit nieuwe bouwproject kwam veel protest wat in het lang en breed in de pers werd uitgesmeerd. Van dit laatste project is uiteindelijk weinig gerealiseerd, waardoor de Doornpanne grotendeels gespaard is gebleven van bouwwoede.

Start van de waterwinning

De I.W.V.A. had al een paar percelen in haar bezit maar slaagt er in om in 1947 het gebied Saint-André in zijn geheel op te kopen. De I.W.V.A. installeert er winputten en bouwt het eerste pompstation. De start van een nieuw verhaal dat tot op heden nog steeds loopt...

Meer informatie over de waterwinning vind je hier.